Colbertje

Home/Dagboek/Colbertje

Voordat ik vandaag van huis vertrok pakte ik een klein, dun plastic tasje met rode opdruk. In elk huis worden die tasjes bewaard; in een hoekje, in een kartonnen doos, of in een grotere plastic tas. Mensen gooien ze  niet weg en gebruiken ze vooral voor het huishoudelijk afval. Op de dagen dat de vuilnisman langskomt staan er dan ook veel tasjes op de trottoirs. De tasjes met rode opdruk komen grotendeels uit de supermarkten. Ook alle, veel kleinere, buurtwinkels gebruiken plastic tasjes om je gekochte spulletjes in mee te geven. In de buurtwinkel koop je per keer minder dingen dan in de supermarkt en krijg je dus een (nog) kleiner tasje mee. Vaak is dat blauw gestreept.

 

 

 

 

 

 

In een supermarkt in América Latina zag ik nooit een plastic tas zo groot als bijvoorbeeld die blauwe tas van Albert Hein. Ik schat dat je hier twee á drie plastic tasjes nodig hebt om net zoveel mee te nemen als in één rode tas van Super de Boer/Jumbo.

Als ik in Nederland de wekelijkse boodschappen (voor mijn eenpersoons huishouden) doe heb ik al gauw twee tot drie plastic tassen nodig. Hier gebruik je er dus voor die hoeveelheid vijf tot acht. Als je een gezin met een paar kinderen hebt worden dat met gemak tien tot vijftien zakjes. En omdat je toch al zoveel moet sjouwen koop je meteen een kratje bier en een aantal flessen (bron)water.

Hoe kom je vervolgens met je inkopen thuis? Hier in Quito doet de redelijk tot goed verdienende middenklasse dat door met de auto naar de super te gaan. Onder de supermarkt vind je meestal een (gratis) parkeerplaats. Maar je moet dan nog wel van de kassa met je al je spullen bij de auto zien te komen. Dat gaat als volgt. Je neemt hier in Quito je karretje niet mee door het gangetje van de kassa. Het karretje wordt -zodra je de laatste aankoop op de band hebt gelegd- opgehaald door een jonge bediende van de super. (In het kader van het bestrijden van de werkloosheid is dat nog niet zo’n slecht idee; iemand wat betalen om je karretje weg te halen.) Als je hebt afgerekend staat daar opnieuw iemand die alles in de tasjes doet en op een andere, grotere kar plaatst. Deze man volgt je met de kar met inkopen naar de auto en zet alles daarin. Hij is niet in dienst van de super. Je betaalt hem 25 cent. Hetzelfde bedragje dat je aan de man betaalt die op je auto heeft gelet terwijl je boodschappen deed. (opnieuw een manier om mensen wat inkomen te bezorgen)

Heb je geen auto dan neem je een taxi en kun je geen taxi betalen dan moet je meerdere keren lopen. Of, wat ook gebeurt, je bent zo arm dat je maar zeer beperkt dingen in de super kunt kopen.

Toen ik vandaag de deur achter me sloot had ik dus zo’n supermarkt-tasje bij me. Daar had ik een colbertje in gedaan. Dat was behoorlijk duur toen ik het kocht, maar om diverse redenen kan ik het niet meer dragen. Toen ik de eerste hoek om was gewandeld zag ik verderop een verlopen, arme, oude sloeber mij tegemoet lopen. Toen we vlakbij elkaar waren zag ik pas hoe slecht hij eraan toe was. Hij had nauwelijks nog een tand in zijn mond, hij had zich al een tijd niet gewassen en was ook verder volledig in verval. Zijn kleren hadden lang geleden hun beste tijd al gehad. Er is hier soms zeer schrijnende armoede. Ik vroeg hem of hij het colbertje wilde en tot mijn genoegen was hij sprakeloos van dat aanbod. En toen hij even later weer kon praten verstond ik hem niet. Ik denk dat het praten hem door zijn slechte conditie moeilijk viel, maar hij was ook overdonderd door mijn cadeautje voor hem. Hij had kennelijk een erg goede dag door het colbertje. En hij diepte na heel veel zoeken iets op uit één van zijn zakken om als dank aan mij te geven.

Ik blijf het onacceptabel vinden om met dergelijke, onrechtvaardige ongelijkheid te leven.

Bewoner Soesterkwartier in  América Latina Peet van Breugel

Door |maandag, 7 januari 2013 |Categorieën: Dagboek|Tags: , , |0 Reacties

Geef een reactie